HOE GRILLIG OOK DE WOLKEN DRIJVEN Hoe grillig ook de wolken drijven, de vaste zon vaart vol en groot. Ons leven zal een zegen blijven ook na den dood. Wij schrijden saam door sterke zorgen, in liefde, die elk wonder duidt. De hooge rozen van den morgen gaan voor ons uit. Een menschlijk willen, godlijk moeten, geeft ons bestreven ruimer vlucht; en de aarde, blijde om onze voeten, draagt bloem en vrucht. Draagt bloem, draagt vrucht, o vroom verwekken, o rijke rust na rijke dracht! Mijn engel zal een engel dekken, en ons de nacht. Zijn dan de sterren omgetogen, den hemel onzer droomen rond, des ochtends kust het licht uw oogen, en liefde uw mond. 61 Nagelaten Gedichten, Amsterdam (G. Van Soest) 1937, 95 p.