DE STOET OP SINT-ELOOI-FEEST. - Dààr komt de stoet, dààr recht op ons! Vooraan, elk aan zijn kant, twee postillons Te peerd, met witte broeks en roode mutsen. De sluiers om hun lenden waaien breed, De standaards in hun handen klutselutsen. (1) Hun hooge hengsten zijn al schuim en zweet En draven, langgemaande, kortgehaarde, Kop recht. Hun ooge brandt. Hun neusgat snuift. Zij brieschen en hun hoeven stampen de aarde In mul, vijf voeten in de lucht: het stuift! Ze ketsen (2), kruisen over de kalsijde (3) Dat 't vuur speit uit de steenen, keeren, en Voort ijlen zij, verkleenend lijk, tot bij de Zwaarvolgend dichte schaar in lichten ren. Terug dan weer en weg!... Rommedomdom, Rommedomdom! Daar gaat en slaat de trom, Dom, dom; tweevoudig, rof en plof, dom, dom, En tusschen beide trommelaars, tred op tred, Zit Jan de speelman met zijn klarinet. - De deken, ei, de deken! Op zijn baaide (4) Merrie, die stevig stapte, dijen hoog, Zat Krelis tronend-trotsch en streelde en aaide Het beest, dat hinnikend den kop verdraaide. Op zijn gilet van fijn zwart laken woog, Van rond zijn ronden hals, een zware keten Medailles, Bronz' en zilvren menigvoud, En onderaan een splinternieuwe in goud, De welkomsgifte van den rijken deken. Traag reed hij, dwaashooveerdig als een vorst, Liet van omhoog genadiglijk op allen Beneden hem zijn blijde blikken vallen, En deed de keten rinklen op zijn borst. Wild achter, stappend, dravend, springend, steigrend, En verder vluchtend, loopend, gaande, weigrend, Een goede honderd hengsten, merries, ruinen, Al dikke, ronde, zware en zwarte, bruine, Witgrijze, baaide, hoogkoppig, kloekgedijde, Met in hun lange steertevlechten zijde' Linten en bloemen, op hun borsten vlokken Wit schuim en heel hun huid met zweet doortrokken, Bij kudden, dat hun ijzren hoeven klettren En gele vonken na de pooten spettren; Of één, twee, die met diepe sporesteken Wildstormend duiklen in de bonte reken. De ruiters staan en zitten in de beugels, Spannen hun beenen, trekken aan de teugels, Slaan met hun wissen en krawatsen, zwieren Hun hoeden hoog, en juichen, tuiten, tieren In ééne vaart, één vrije vreugde vieren! (1) klutselutsen, waggelen (2) ketsen, luid stappen (3) kalsijde, Steenweg (4) baaide, Bruin-rood (Uit De Vlasgaard, bij A. SEVENS, te Gent.) Ieder jaar wordt te Deerlijk, zoo verhaalt de dichter, met St-Elooisdag de Deken van 't Gild verkozen; de plechtige inhuldiging geschiedt echter op St. Pietersdag, in den vollen zomer, vóór het slijten aan het vlas; dat feest begint gewoonlijk met eenen stoet. Dicht en Proza blz 373 derde uitgave 1914 Nederlandsch Leesboek voor Lager Normaalonderwijs, Middelbare Scholen en Athenea. Door M. Brants en O. Van Hauwaert.