
Paulina Justina Gheysens (1836-1906), moeder van René De Clercq.
Charles trouwde eerst met Cordula D’heijgere. Samen kregen zij zes kinderen, maar het vijfde en zesde kind, Elodie en Jules, stierven kort na de geboorte in 1863. Vijf dagen later overleed ook Cordula. Charles hertrouwde met Pauline Justina Gheysens (1836–1906), met wie hij nog eens tien kinderen kreeg. René was de voorlaatste. Na de geboorte van het jongste kind, Rachel, verhuisde het gezin naar herberg “De Valke” aan de hoek van de Harelbekestraat en de Kleine Pontstraat (nu Commandant Edmond Ameyestraat).

René De Clercq als eerstejaars.
Toen hij in de vierde Latijnse zat, overleed zijn vader. Ondanks de financiële druk zorgde zijn moeder ervoor dat hij verder kon studeren. Zij hoopte dat haar zoon priester zou worden.Na het college trok René naar de Franstalige universiteit van Gent. Hij begon aan geneeskunde, maar schakelde na een mislukt jaar over op Germaanse filologie. In Vlaanderen was universitaire studie toen nog het voorrecht van een Franstalige elite. Zijn moeder werkte zich krom om de kosten te betalen.
René promoveerde in Gent tot doctor in de Germaanse filologie met een proefschrift over Guido Gezelle. Hij was leraar in Nijvel (waar hij August Borms als collega had), later in Oostende en Gent.
Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij met zijn gezin naar Nederland. In Amsterdam werd hij leraar aan de Belgische school en redacteur van De Vlaamsche Stem, de krant voor Vlaamse vluchtelingen.

Marie Delmotte.

René De Clercq, rond 1905.

Het gezin-De Clercq in november 1929 door Aloďs Deknudt in Deerlijk gefotografeerd: René en Alice met de kinderen Elza, Joost, Marva, Harmen en Karel..
In 1914 vlucht De Clercq voor de oorlog naar Nederland, waar hij les kan geven aan de Belgische school. Hij krijgt er onderdak in de luxueuze villa van een Haagse familie Scholten, waar hij onder meer over de voedselvoorraden mag beschikken. Daar maakt hij echter geen misbruik van. Een jaar later verhuist hij naar Bussum en verlaat het huis zoals hij het aangetroffen heeft.
De Clercq houdt van beweging en van menselijk contact. Al vlug knoopt hij diverse vriendschappen aan, voornamelijk met kunstminnende Nederlanders, waaronder de schrijver Frederik van Eeden, die hij vroeger al ontmoet had in Gent. Karel Platteau, een kunsthandelaar waarmee hij vaak gaat wandelen, brengt hem in contact met de kunstzinnige familie Pieck, van wie Karel regelmatig kunstwerken afneemt.
Intussen helpen de kunstenaars elkaar vooruit met het weinige dat ze hebben. Ze begrijpen en waarderen elkaars kunst. De nieuwste kunstrichting, het Vlaams expressionisme, is op dat moment nog maar moeilijk toegankelijk voor het brede publiek. Daardoor ligt de verkoop erg moeilijk.
Tijdens de avonden met zijn vrienden komt bij René ineens met het plan naar voren om zelf een kunsthandel op te richten. Begin oktober 1919 kan hij een schilderij van Frits Van den Berghe en een houtsnede van Jozef Cantré verkopen aan een onbekende Nederlander. Met geleend geld en een deel op afbetaling koopt hij twee weken later zelf vijf schilderijen van Van den Berghe, en zes schilderijen en twee tekeningen van Gust De Smet. Hij bestelt ook het monumentale werk Vruchtbaarheid, de beeldengroep die zijn vriendin Ria in Cantrés atelier eerder gezien had.

René De Clercq, schilderij van Frits Van den Berghe
Eind oktober beschikt hij al over een voorraad van ongeveer dertig werken, een klein fortuin: 12 van Gust De Smet, 10 van Frits Van den Berghe, twee van Modest Huys, en telkens een van Valentijn Van Uytvanck, van Joan Colette, van Isidoor Opsomer en van Leon De Smet. Hij verwacht ook nog drie werken van Adri Pieck en zowel een beeld in hout als een in steen van Jozef Cantré.
De kunsthandel De Blauwvoet opende op 12 november 1919 in de Prinsenstraat 18 te Bussum. Dat was in zijn woonhuis, waarvan hij – samen met zijn vrienden – de benedenverdieping omgetoverd had in een galerij. Op de vernissage was een veertigtal genodigden aanwezig, waaronder Frederik van Eeden. Er werden drie werken verkocht. De Friese politicus baron Theo van Welderen Rengers was verhinderd, maar zou later nog komen. Een kunstverzamelaar, een zekere Van Vosem, zou later terugkeren met zijn echtgenote, waarschijnlijk om te kopen. Het was een wonder, zegden de schilders achteraf, dat er op de dag zelf in al dat geharrewar al meteen drie werken verkocht werden. Er waren overigens ook nog werken van Modest Huyse op komst, en René zou Albert Servaes en Constant Permeke contacteren.
In april 1920 ging alle aandacht naar de eerste grote tentoonstelling van De Blauwvoet, in Groningen. De Clercq had geďnvesteerd in een fraaie catalogus, met op de kaft een houtsnede van Cantré. De vernissage was op 3 april. Cantré zelf had de zaal ingericht en René was uitermate enthousiast over het resultaat. Het was een prachtige aanblik. Er waren schilderijen bij van Van den Berghe, De Smet, Huyse, Opsomer en Van Uytvanck, en uiteraard ook sculpturen van Cantré zelf
De volgende dag kwam baron van Welderen Rengers de zaal binnen. Hij was speciaal naar Groningen gekomen op basis van een schitterende kritiek die hij gelezen had in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hij kocht meteen een schilderij van Gust De Smet en opperde dat er werk van gemaakt moest worden om een paar grote stukken in de Nederlandse musea te krijgen. Hij zou ook zijn vrienden uit Leeuwarden aanmanen om de tentoonstelling te bezoeken.
Het artikel in de NRC bevatte onder meer de volgende lovende passages: “René De Clercq, de gloeiend-overtuigde, ook heftig in zijn oordeel over de moderne schilderkunst, de dichter, de Vlaam, de man met zoovele sympathieke qualiteiten, is de leider van ‘De Blauwvoet’. Deze naam alleen suggereert al, en de kracht waarmede de Clercq hem lanceert doet dat dubbel. Wat zit daar toch een vitale kracht vol spontaniteit in het ras van onze zuidelijke broeders.” En verder luidde het: “De Clercq geeft inleidingen tot het zien van deze moderne kunst; in hoogsteigen persoon geeft hij, wandelende in de zaal, op zijn pakkende welsprekende manier te verstaan wat de schilder, de beeldhouwer, de graficus bedoelt.”
De tentoonstelling sloot af op 12 april. Het was een daverend succes geweest. De verkoop van werken van De Smet en van Cantré bracht 150 gulden winst op.
Een domper kwam er nauwelijks een week later. Op 17 april 1920 werd De Clercq door het assisenhof van Brabant bij verstek veroordeeld tot de doodstraf. Op 30 juli volgde een uitspraak over Cantré: die werd veroordeeld tot 5 jaar effectieve gevangenschap. Anderen, zoals Van den Berghe en De Smet, gingen vrijuit, zodat die wel nog probleemloos de grens konden oversteken. In 1922 gingen ze een tijd samen inwonen bij Permeke.
Van toen af ging het snel bergaf met De Blauwvoet. Het plan om in 1920 nog zes tentoonstellingen in Nederland te organiseren, kon niet meer doorgaan. In mei 1920 liet uitgever Meulenhoff weten dat hij om financiële redenen de illustraties van Cantré niet kon opnemen in Het boek der liefde van De Clercq.
Op 21 mei kondigde De Telegraaf een tentoonstelling aan in de kunstgalerij De Blauwvoet, maar er werd deze keer beduidend minder aandacht aan geschonken door de pers. De Clercq ging langs bij de Amsterdamse verzamelaar Mathusius, die de expositie bezocht had. Die leende hem 500 gulden en liet verstaan dat hij voor 2.000 gulden werken zou kopen. Hij ging ook langs bij de grote verzamelaar Helene Kröller-Müller, in de hoop haar belangstelling te wekken, maar ook dat was tevergeefs.
De Clercq vocht als een leeuw om De Blauwvoet overeind te houden, maar het mocht niet baten. Die sterke moderne werken konden op dat moment nog maar door weinigen gesmaakt worden en ze hadden grote tentoonstellingsruimtes nodig om ten volle tot hun recht te kunnen komen…

René De Clercq en Ria Vervoort.
Het duurde nog een tijd vooraleer ze in elkaars nabijheid waren. René De Clercq was nog voor een paar maanden in Nederland en werd daarna conservator van het Wiertzmuseum in Brussel. Hij reisde veel voor optredens in Nederland en Duitsland.
Ria Vervoort was een ervaren pianiste uit Antwerpen. In 1924 komt ze bij hem samenwonen in Amsterdam, tot aan zijn dood in 1932.
Ria werd heel oud, ze bewaarde heel haar leven het bureau van René De Clercq onaangeroerd en schonk het na haar overlijden aan ons museum waar het nu te zien is in zijn oorspronkelijke staat. Ze schonk ook haar briefwisseling van meer dan 1000 brieven tussen René en Ria aan ons genootschap .
Meer details over de briefwisseling tussen Ria en René kan je lezen in het boek van J. J. Wijnstroom,
"René De Clercqs levensloop", in hoofdstuk 3, pagina 41: III. RENÉ DE CLERCQ SEDERT 1917. DE BRIEFWISSELING MET RIA.

De brieven waren een bron voor het schrijven van de Ria-liederen.
De gescande brieven kan je hier vinden.

Jozef Cantré (1890-1957) kapt het grafmonument van zijn vriend René.
In 1982 werden zijn stoffelijke resten en het grafmonument, gemaakt door Jozef Cantré, naar Deerlijk overgebracht. Het monument is het werk van de expressionistische Gentse kunstenaar Jozef Cantré. Het stelt de dichter voor die vol ontzag neerknielt in de “tuin” van Dietsland. Met het aangezicht naar de zon en het heelal gekeerd, drukt hij het boek De Noodhoorn tegen zijn hart. Met zijn linkerhand laat hij moeder aarde, - zijn Vlaanderen, zijn Dietsland - niet los.
Met Toortsen (1909) liet hij zich inspireren door het socialisme en schreef hij geëngageerde poëzie.
De dood van zijn vrouw leidde tot de bundel Uit de diepten (1911). Hij schreef ook de romans Het Rootland (1913) en Harmen Riels (1913).
Tijdens de oorlog verscheen eerst De zware kroon (1915) waarin hij zich patriottisch toonde, en vervolgens De Noodhoorn (1916) echter keerde hij zich tegen hen wegens de achteruitstelling van Vlaanderen en zette met laaiende hartstocht zijn volk aan tot strijd voor een vrije toekomst. In deze forse, opstandige strijdliederen, die herinneren aan de Geuzenliederen, bereikte hij het hoogtepunt van zijn kunst.
Zijn later werk omvat bijbelse, epische gedichten: Van aarde en hemel (1915), Tamar (1918) en Maria Magdalena (1919); liefdespoëzie: Het boek der Liefde (1921) en Meidoorn (1925); drie bijbelse treurspelen: Kaďn, Saul en David, Absalom (gebundeld in 1934) en verhalen: Het zonnefluitje onder pseudoniem H.C. Joesken (1926), Een wijnavond bij Dr Aldegraaf (1927) en Te lande (1928).
Méér dan 200 componisten uit Vlaanderen en Nederland, onder wie Emiel Hullebroeck, Lieven Duvosel, Flor Peeters, Lodewijk Mortelmans, Jef van Hoof en Catharina van Rennes hebben gedichten van De Clercq op muziek gezet en vele ervan behoorden al vlug tot het volksbezit. Denken we maar aan Tineke van Heule en Moederke alleen. Hij is na Guido Gezelle wellicht de meest verklankte dichter van Vlaanderen en Nederland.
De dichter was zelf, alhoewel muzikaal technisch minder geschoold, een begenadigd toondichter in de geest van het Duitse romantische lied. Tijdens zijn ballingschap in Nederland welden de melodieën spontaan in hem op en werd het componeren een echte passie (7 reeksen René De Clercq-liederen en Liederen voor Vlaanderen en Nederland).
Zijn gedichten zijn vandaag, in de 21ste eeuw, nog altijd te vinden in allerlei nieuw uitgegeven gedichtenbundels zoals bvb De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten van Gerrit Komrij (1979).

De in 2025 gerenoveerde zalen van het museum
Op zondag 9 juni 1991 werd het René De Clercqmuseum officieel geopend. “De vader van Tineke van Heule kreeg zijn Hemelhuis” blokletterde Gaston Durnez in de Standaard van 5 juni 1991.
Het museum bevindt zich in de gelijknamige straat, in het geboortehuis van de dichter. Het huisje uit 1790 werd door de gemeente aangekocht in 1979 en wettelijk beschermd bij KB van 27.09.1979. Onder leiding van Monumenten en Landschappen hebben de gemeentediensten het vakkundig gerestaureerd. De benedenverdieping verwijst naar de tijd van René De Clercq met de open haard in de woonkamer, de Leuvense stoof in de keuken en de bakoven waar soms nog brood of taart gebakken wordt. Ook de authentieke werkkamer uit Amsterdam is er ondergebracht.

De in 2025 gerenoveerde zalen van het museum
De verdieping is omgevormd tot een moderne museumruimte waarin 16 wandplaten en 14 tafelkasten chronologisch het leven en werk van René De Clercq toelichten. Wie op een poëtische manier de dichter nog beter wil leren kennen, zal plezier beleven aan de videoclips Curriculum vitae en De Clercq van Deerlijk.
Bezoekers van 7 tot 77 krijgen er door enthousiaste gidsen, allen vrijwilligers, antwoord op de vragen: “Hoe leefden onze (over)grootouders?” en “Wie was René De Clercq?”.
In het gastenboek van het museum staan lofwoorden van bezoekers uit heel Vlaanderen en Nederland maar ook uit Duitsland, Estland, Ierland, USA en …Mexico. Enkele citaten: Dit kleine museum is een waardig juweel voor René De Clercq, een dichter van formaat omdat hij enkele onvergetelijke verzen heeft geschreven (Jozef Deleu). Een groot museum in een klein huisje. Het woord proficiat vinden we op elke bladzijde van ons gastenboek.
| Curriculum van René De clercq, film gemaakt door Armand Deknudt, grafiek van Gilbert Vandamme. |
|