Tijdens de avonden met zijn vrienden komt bij René ineens met het plan naar voren om zelf een kunsthandel op te richten. Begin oktober 1919 kan hij een schilderij van Frits Van den Berghe en een houtsnede van Jozef Cantré verkopen aan een onbekende Nederlander. Met geleend geld en een deel op afbetaling koopt hij twee weken later zelf vijf schilderijen van Van den Berghe, en zes schilderijen en twee tekeningen van Gust De Smet. Hij bestelt ook het monumentale werk Vruchtbaarheid, de beeldengroep die zijn vriendin Ria in Cantrés atelier eerder gezien had.

René De Clercq, schilderij van Frits Van den Berghe
Eind oktober beschikt hij al over een voorraad van ongeveer dertig werken, een klein fortuin: 12 van Gust De Smet, 10 van Frits Van den Berghe, twee van Modest Huys, en telkens een van Valentijn Van Uytvanck, van Joan Colette, van Isidoor Opsomer en van Leon De Smet. Hij verwacht ook nog drie werken van Adri Pieck en zowel een beeld in hout als een in steen van Jozef Cantré.
De kunsthandel De Blauwvoet opende op 12 november 1919 in de Prinsenstraat 18 te Bussum. Dat was in zijn woonhuis, waarvan hij – samen met zijn vrienden – de benedenverdieping omgetoverd had in een galerij. Op de vernissage was een veertigtal genodigden aanwezig, waaronder Frederik van Eeden. Er werden drie werken verkocht. De Friese politicus baron Theo van Welderen Rengers was verhinderd, maar zou later nog komen. Een kunstverzamelaar, een zekere Van Vosem, zou later terugkeren met zijn echtgenote, waarschijnlijk om te kopen. Het was een wonder, zegden de schilders achteraf, dat er op de dag zelf in al dat geharrewar al meteen drie werken verkocht werden. Er waren overigens ook nog werken van Modest Huyse op komst, en René zou Albert Servaes en Constant Permeke contacteren.
In april 1920 ging alle aandacht naar de eerste grote tentoonstelling van De Blauwvoet, in Groningen. De Clercq had geďnvesteerd in een fraaie catalogus, met op de kaft een houtsnede van Cantré. De vernissage was op 3 april. Cantré zelf had de zaal ingericht en René was uitermate enthousiast over het resultaat. Het was een prachtige aanblik. Er waren schilderijen bij van Van den Berghe, De Smet, Huyse, Opsomer en Van Uytvanck, en uiteraard ook sculpturen van Cantré zelf
De volgende dag kwam baron van Welderen Rengers de zaal binnen. Hij was speciaal naar Groningen gekomen op basis van een schitterende kritiek die hij gelezen had in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Hij kocht meteen een schilderij van Gust De Smet en opperde dat er werk van gemaakt moest worden om een paar grote stukken in de Nederlandse musea te krijgen. Hij zou ook zijn vrienden uit Leeuwarden aanmanen om de tentoonstelling te bezoeken.
Het artikel in de NRC bevatte onder meer de volgende lovende passages: “René De Clercq, de gloeiend-overtuigde, ook heftig in zijn oordeel over de moderne schilderkunst, de dichter, de Vlaam, de man met zoovele sympathieke qualiteiten, is de leider van ‘De Blauwvoet’. Deze naam alleen suggereert al, en de kracht waarmede de Clercq hem lanceert doet dat dubbel. Wat zit daar toch een vitale kracht vol spontaniteit in het ras van onze zuidelijke broeders.” En verder luidde het: “De Clercq geeft inleidingen tot het zien van deze moderne kunst; in hoogsteigen persoon geeft hij, wandelende in de zaal, op zijn pakkende welsprekende manier te verstaan wat de schilder, de beeldhouwer, de graficus bedoelt.”
De tentoonstelling sloot af op 12 april. Het was een daverend succes geweest. De verkoop van werken van De Smet en van Cantré bracht 150 gulden winst op.
Een domper kwam er nauwelijks een week later. Op 17 april 1920 werd De Clercq door het assisenhof van Brabant bij verstek veroordeeld tot de doodstraf. Op 30 juli volgde een uitspraak over Cantré: die werd veroordeeld tot 5 jaar effectieve gevangenschap. Anderen, zoals Van den Berghe en De Smet, gingen vrijuit, zodat die wel nog probleemloos de grens konden oversteken. In 1922 gingen ze een tijd samen inwonen bij Permeke.
Van toen af ging het snel bergaf met De Blauwvoet. Het plan om in 1920 nog zes tentoonstellingen in Nederland te organiseren, kon niet meer doorgaan. In mei 1920 liet uitgever Meulenhoff weten dat hij om financiële redenen de illustraties van Cantré niet kon opnemen in Het boek der liefde van De Clercq.
Op 21 mei kondigde De Telegraaf een tentoonstelling aan in de kunstgalerij De Blauwvoet, maar er werd deze keer beduidend minder aandacht aan geschonken door de pers. De Clercq ging langs bij de Amsterdamse verzamelaar Mathusius, die de expositie bezocht had. Die leende hem 500 gulden en liet verstaan dat hij voor 2.000 gulden werken zou kopen. Hij ging ook langs bij de grote verzamelaar Helene Kröller-Müller, in de hoop haar belangstelling te wekken, maar ook dat was tevergeefs.
De Clercq vocht als een leeuw om De Blauwvoet overeind te houden, maar het mocht niet baten. Die sterke moderne werken konden op dat moment nog maar door weinigen gesmaakt worden en ze hadden grote tentoonstellingsruimtes nodig om ten volle tot hun recht te kunnen komen…